Diervriendelijk tuinieren: de impact van het oog en de tong (deel 3)

Door Maarten Wielandts - 27-10-2019 in Diervriendelijke tuininrichting
2 reacties

Diervriendelijk tuinieren: de impact van het oog en de tong (deel 3)

Diervriendelijk tuinieren: de impact van het oog en de tong op plantenkeuze (deel 3)

In deel 1 van deze serie hebben we gezien dat je 2 soorten dieren, en vooral insecten, hebt: generalisten en specialisten. En met vooral de specialisten houden we heel weinig rekening mee. We begrijpen nu ook dat miljoenen jaren aan evolutie niet kan samengevat worden in een top 10 lijstje. Als je echt diervriendelijk wilt tuinieren, moet je starten met kennis te verzamelen.

In deel 2 van deze serie hebben we geleerd dat er een groot verschil is in de behoeften van jonge dieren en volwassen dieren. Veel tuinen zijn adult only snackbars, er is weinig aandacht voor waardplanten. Ook onze voorkeur voor uitheemse planten of cultivars heeft zijn impact.

In dit deel kijken we specifiek naar welke invloed de ogen (of beter gezegd het zicht) van dieren een invloed heeft op hun voorkeur naar bepaalde planten en vooral naar de invloed van de lengte van de tong.

De verborgen effecten van kleur.

Beukenhagen zijn zeer geliefde hagen, makkelijk te snoeien en groeit snel genoeg maar ook weer niet te snel. En dat vooral het blad (verdord) aan de haag blijft hangen is voor veel mensen de doorslaggevende factor om hiervoor te kiezen. En voor sommige mensen geeft een rode beukenhaag of zelfs een rode en groene beukenhaag gemengd dat extra tikkeltje kleur aan de tuin.

Eigenlijk is een rode beuk niet meer dan een beuk met een genetische afwijking die in het wild weinig kans heeft op overleven. De bladeren van bomen zijn gemaakt om aan fotosynthese te doen en zo de plant van energie te voorzien. Chlorofyl is de stof die verantwoordelijk is voor fotosynthese en is toevallig ook een groene kleurstof. Gezien het belang van chlorofyl voor een plant, is deze stof meestal ook dominant aanwezig waardoor bladeren groen zien.

Er zitten meerdere kleurstoffen in een blad en bij een genetische afwijking kan een van die andere kleurstoffen de bovenhand krijgen. Dat is het geval bij rode beuken. Maar in rode beuken zit nog steeds chlorofyl, maar in mindere hoeveelheden. In het wild zullen deze rode exemplaren al snel overgroeid worden door de groene beuken en andere bomen omdat die veel beter zijn in het omzetten van zonlicht in suikers.

Maar in onze tuinen waar we concurrentie uitschakelen, kunnen deze rode beuken wel overleven.  En daar sta je dan als (nacht)vlinder, allicht al miljoenen jaren samen geëvolueerd met groene plant en dan krijg je ineens een rode haag voorgeschoteld. Ofwel herken je dan de plant niet meer als je waardplant of heb je het niet door en leg je alsnog je eitjes op de rode bladeren.

En uit die eitjes komen dan de rupsen, groene rupsen omdat dit de beste camouflage is. Zie je ze al zitten die groene rupsen op die rode bladeren? De vogels ook natuurlijk. Dat klinkt misschien goed als je de aantallen rupsen in het hoofd houdt dat vogels nodig hebben om hun jongen te voederen, maar in realiteit zal dit eerder zorgen voor een instorting van de lokale vlinderpopulatie die afhankelijk is van de beuk. En dat is op lange termijn ook nefast voor de vogels die afhangen van de rupsen.

Kleur is nog op een andere manier belangrijk voor vooral insecten. De kleur van een bloem bepaalt gedeeltelijk welke bestuivers de bloem zullen bezoeken. We staan er niet bij stil, maar elk dier ziet de wereld anders. Naast scherpte en contrast is ook het kleurenspectrum dat dieren kunnen zien veelal anders.

Bijen zijn vooral goed in het zien van de kleuren wit, geel en blauw maar ook ultraviolet. Bloemen in die kleuren zijn dan het meest interessant voor bijen. Een rode bloem is voor hun gewoon een zwarte bloem dus oninteressant, of er moesten speciale ultraviolet markeringen op de bloem zitten die wij niet zien. Door een rode roos aan je geliefde te geven, zal je punten scoren maar niet als je die aan een bij geeft.

Bij vlinders is het weer helemaal anders, zij hebben echter geen probleem (en soms zelfs een voorkeur) met rode of paarsrode bloemen. Nachtvlinders zijn vooral ’s nachts actief en daarvoor zijn witte geurende bloemen vooral belangrijk.

Ook kevers zouden een voorkeur hebben voor witte bloemen en negeren zoals bijen rode bloemen. Bij veel vliegen is kleur niet zo belangrijk maar wel de geur. Een stinkende bloem zal zeker de nodige vliegen aantrekken.

Size matters, maar dan enkel die van de tong.

Anatomisch gezien zal de lengte van de tong misschien het bepalendste element zijn voor insecten om een bepaalde bloem al dan niet te bezoeken. Bloemen komen voor in alle maten en kleuren maar er is ook de nodige variatie in hoe toegankelijk de nectar is.

De honingklieren bij planten produceren de nectar en bij veel bloemen zitten die binnenin op de bloembodem van de bloem en omgeven door kelkbladen en/of kroonbladen. De lengte van de kelkbladen en/of kroonbladen bepalen deels hoe makkelijk insecten aan de nectar kunnen. De groeirichting van de kroonbladen is ook belangrijk.

Bij o.a. composieten zoals de paardenbloem of het madeliefje groeien de kroonbladen naar buiten toe, ze vormen als het ware een landingsplatform voor insecten en maken ze het juist makkelijk om de bloem te bezoeken.

Maar kroonbladen kunnen ook naar boven (of naar voor, afhankelijk hoe je het bekijkt) groeien en vormen dan een soort tunnel. Smeerwortel is een goed voorbeeld hiervan, maar je kan die ook zien bij dropplanten, vlinderstruiken en lavendel. Hier zitten de honingklieren diep in de bloemkelk verstopt en moet je wat moeite doen om er aan te geraken.

Of je moet een insect zijn dat groot geschapen is natuurlijk. Groot met betrekking op de tong wel te verstaan. Met een lange tong moet je niet in de bloemkelk afdalen om aan de nectar te komen, je tong uitsteken is al genoeg. Maar heel wat bloemen, zoals de lavendel en de vlinderstruik, hebben hele kleine bloempjes waar de meeste insecten niet in kunnen kruipen. De nectar is dus alleen beschikbaar voor insecten met een langere tong.

En zo ontstaan dus speciale relaties tussen bloemen en insecten, louter en alleen gebaseerd op de lengte van de tong en de diepte dat de honingklieren verstopt zitten. Een vlinderstruik en lavendel produceren heel veel nectar en zijn dus interessant voor heel veel insecten. Maar op een vlinderstruik zal je voornamelijk vlinders zien omdat hun tong lang genoeg is. En lavendelstruiken zijn dan weer vooral fijn voor hommels omdat die van de wilde bijen toch de langste tongen hebben.

Je nectar diep genoeg verstoppen heeft zijn voordeel voor de bloem, maar is niet zaligmakend. Door het moeilijker te maken om van je nectar te laten drinken, beperkt je het aantal bestuivers als bloem. Dit is een risicofactor daar je je bestuiving laat afhangen van het succes van één of slechts een paar bestuivers. Maar deze tactiek verhoogd wel de kans op succesvolle bestuiving.

Omdat vlinders minder concurrentie ondervinden op bloemen met diepe kelken, geven ze hier een voorkeur aan. De kans dat een hommel verschillende lavendelstruiken op een rij gaat bezoeken is groot, gewoon omdat op andere makkelijkere bloemen meer bezoekers op afkomen en die dus allicht al ‘droog’ staan. In beide gevallen is er dus een redelijk grote zekerheid dat het stuifmeel van een soort bloem terecht gaat komen op een andere bloem van de zelfde soort. Bloemen waar de nectar goed verstopt zit, krijgen minder bezoekers maar die zijn wel efficiënter in het bestuiven.

Bloemen uit de familie van composieten (Aster, Echinacea, Helenium, paardenbloem, margriet, …) of schermbloemigen (fluitenkruid, venkel, wortel) doen het helemaal anders. Zij maken het bestuivers juist heel makkelijk om aan de nectar te geraken. Niet alleen zit de nectar heel ondiep, in het geval van composieten zijn ze ook nog omgeven door de perfecte landingsbanen.

Het is niet voor niets dat de verschillende soorten paardenbloemen op nr 1 staan in de lijst met bloemen die de grootste verscheidenheid aan wilde bijen aantrekken. En dan spreken we nog niet over kevers, wespen en andere insecten met een korte tong die de bloem bezoeken. Een wilde peen of gewone bereklauw in een berm of veld is een magneet voor vliegen en (solitaire en sociale) wespen. Beide soorten insecten hebben een korte tong dus zie je ze hier massaal op.

Aangezien de meeste insecten toch een korte tong hebben (vliegen, wespen, veel bijen en kevers) en die allemaal nectar nodig hebben om als volwassen dier te overleven, is er veel concurrentie op deze planten. Er komen heel veel insecten op af en daar haalt de plant zijn voordeel uit. De bestuiving zal iets minder efficiënt verlopen daar deze insecten minder bloemvast zijn, maar door het grote aantal bezoekers zal er altijd wel één tussen zitten die recent een soortgenoot heeft bezocht en dus voor bestuiving kan zorgen.

Zo zie je maar dat ook bij bloemen er generalisten en specialisten zijn, of misschien zorgen juist de bloemen en hun verschillende anatomie voor generalisten en specialisten onder de insecten.

Het licht op het einde van de tunnel.

Hopelijk heeft al die informatie die ik jullie heb gegeven over planten en dieren er niet voor gezorgd dat je het bos niet meer door de bomen kan zien. In de voorbije delen hebben we vooral gezien hoe ingewikkeld de natuur wel is en daarmee eigenlijk ook mooi.

Maar die complexiteit maakt het natuurlijk als mens er niet makkelijker op om iets goed te doen voor de natuur. Want veel zaken die goed zijn voor een soort, zijn weer slecht voor een andere.

Voor vogels is een tuin met veel struiken en bomen waar rupsen en insecten in leven een paradijs. Maar die bomen en struiken zorgen dat er minder plaats is voor bloemen die dan weer belangrijk zijn voor bijen, wespen en volwassen vlinders.

Iets voor de natuur doen is spijtig genoeg keuzes maken. De meeste onder ons hebben maar een kleine tuin of juist enkel een paar bloempotten op het terras. En dan is het heel moeilijk om genoeg variatie te voorzien in je planten om voor elk dier iets te bieden te hebben.

En daar we geleerd hebben dat er een verschil is in behoeftes tussen dat van een jong dier en een volwassen dier, is diervriendelijk tuinieren vooral kiezen voor de ‘jeugd’. In een tuin waar weinig rekening is gehouden met de natuur zal een volwassen dier veelal ook wat te eten vinden. Maar daar is weinig te rapen voor jonge dieren daar zij een hele specifieke voorkeur hebben.

In het volgende deel gaan we (eindelijk) bekijken wat je kan doen om specifiek vogels, wilde bijen, vlinders en andere insecten te helpen in je tuin. Voor zij die dus de weg kwijt waren door een stortvloed aan informatie, er is licht op het einde van de tunnel.

Jobs for the weekend:

  • Inventariseer je bloemen en kijk dan vooral naar de kleur van de bloemen. Domineert er een bepaalde kleur of is er variatie?
  • Kijk ook naar de bloemvorm van je bloemen. Heb je vooral bloemen met diepe kelken of zijn er ook voldoende bloemen met ondiepe kelken. Ook hier is kleur belangrijk, als de bloemen met diepe of ondiepe kelken vooral in dezelfde kleur voorkomen, kan dit een beperkende factor zijn voor de verscheidenheid aan bestuivers die je bloemen komen bezoeken.

Lees de andere delen:
Diervriendelijk tuinieren: meer dan lijstjes volgen. (deel 1)
Diervriendelijk tuinieren: ga niet voor de adult only snackbar. (deel 2)
Diervriendelijk tuinieren: de impact van het oog en de tong op plantenkeuze (deel 3) 
Diervriendelijk tuinieren: tijd voor actie (deel 4)
Diervriendelijk tuinieren: praktische tips voor vogels en vlinders (deel 5a)
Diervriendelijk tuinieren: praktische tips voor nachtvlinders en wilde bijen (deel 5b)


Maarten Wielandts
Eat Sleep Garden Repeat 
Volg me op Facebook.

2 personen vinden dit leuk

Heb je een opmerking of aanvulling? Reageer dan op dit bericht

Om te reageren moet je ingelogd zijn.
Nog geen account? Registreer je dan op Tuindingen.


Liss 22-11-2019
ligt voor pampus in het gras

Natuurlijk tuinieren betekent niet alleen zo min mogelijk gif gebruiken in de tuin. Wie natuurlijk tuiniert heeft zijn tuin zo ingericht dat deze een grote aantrekkingskracht uitoefent op dieren. In een natuurlijk aangelegde en onderhouden tuin zal vanzelf een grote biodiversiteit ontstaan. Dieren komen er naar toe en blijven er graag voor langere tijd, ook om zich voort te planten. Wie natuurlijk tuiniert houdt bij het onderhoud van zijn tuin rekening met de eisen en wensen van planten en dieren en laat de natuurlijke processen zoveel mogelijk de vrije loop.


Helena 27-10-2019
ligt voor pampus in het gras

Ben nu al benieuwd naar deel 4 ik geniet van je kennis.  


De tuindingen nieuwsbrief

Ontvang iedere week de leukste en groenste nieuwsbrief vrijblijvend in je mailbox

Tuindingen op social media

Volg ons op Social Media voor elke dag nieuwe posts met de laatste tuindingen informatie.

Facebook Twitter Instagram Youtube Pinterest
sitemap | contact | webdesign dotsolutions